menno wieringa
contact
woord | beeld
  1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8


 

Zomer

het is avond
we zitten buiten op het trapje
willen niet meer naar binnen
nooit meer
stemmen klinken vanaf het plein

het wil maar geen zomer worden dit jaar

ondertussen staat Oost-Europa onder water
de Elbe treedt buiten haar oevers
en zet ondanks een waterkering
zelfs Meissen blank

muren bouwen helpt niet
dat is vaker bewezen

de voorzitter van de Duitse bouwondernemers
spreekt klare taal
mensen die zich verzetten tegen
waterkeringen zijn medeverantwoordelijk

er is een lichtpuntje
dijkbewaking in Nederland
is niet nodig
de Betuwe staat weer in bloei

we gaan naar binnen
het is pas juni

 




“Alles moet veranderen om hetzelfde te blijven”
 
G.Tomasi Di Lampedusa

 

Onbeweeglijk staan de dinosaurussen in het museum
dan worden de naamkaarten weggegehaald
deze soort heeft nooit bestaan
eeuwig en onveranderlijk is de kosmos

ook de grote rode vlek op Jupiter

een anticycloonaal stormsysteem
groter dan de aarde
in 1632 ontdekt door Leander Bantius
is aan het verdwijnen

niets blijkt voor de eeuwigheid

ik ben een dinosaurus
en ben mijn naam kwijt
voor even



Royal Nord

Ronkend
staat hij
voor het huis
en zwaait

onherkenbaar
ingepakt
op de kleine machine

oh Royal Nord
jankende tienerdroom
vetkuivende raket
met te veel chroom

die voorbij vliegt
op een warme zomeravond
ons in vervoering
achterlaat

troetelkind van
de gebroeders Hufkens
voor al uw rijwielen
later groot geworden
in grasmaaiers

het straaljagergeluid
zwelt langzaam aan
schudt de stilte op in
het dorp
en sterft weer weg

oh Royal Nord
Brusselse droom
Lumumba’s werkpaard
volgepakt 
stuivend over stoffige wegen

dan valt het monster stil
hij doet zijn helm af
het is Henk

 

Heerlijkheid 

 

We liepen door de weilanden
voorzichtig tussen koeien door die wel erg groot waren
dan door het gat in de meidoornhaag
het laatste stukje naar beneden
langs de strandjes tussen de kribben
op zoek naar wrakhout
onzichtbaar vanaf de dijk

traag slingert de rivier
dijk strang en nevengeulen
buigen mee
de waarden
zo vroeg nog nat van dauw
stilte
een kerkklok
verder weg een hond
overstapjes over hekken
zomerkaden
schoenen zuigend in de klei
de bever bouwt zijn burcht
koeien kniehoog in het water

vlak bij de dijk
tussen wilgen en struweel
de redoute
het oog van Maurits

van Kampen Kleef tot Gorinchem
vestingsteden schansen torens
de rafelranden van de Republiek
een linie tegen de Spanjool
het water als een wapen
rooksignalen bij naderend gevaar

telkens weer die oorlog
hetzelfde water
nu bedekt met stuw
dijt uit tot binnenzee
kwelwaterend smeltwater
de vijand een Siberisch koude wind

de rivier is naar het westen blijven stromen
de strangen strangen

Maurits
zijn broer
Oranjes
en het water
van Opstand
tot koude oorlog
van republiek
tot koninkrijk

nevengeul
omarmt
broerdersloot

moederschoot
baart
kanaalzwager

taal
verenigt
familiewater

de rivier geeft de rivier neemt
ijsgang hoog water
ranselt soms de dijk
versterkt met matten
van gevlochten wilgenteen

de mens gebogen over akkers
ploegend in de klei
is het tarwe rogge
kromme ruggen graven
watergangen drempels dijken
de vloed te keren
weerbarstig al zo lang

hele dorpen zijn verzwolgen
de bakermat van Doornik
heerlijkheid beleend aan Jan
nu buitendijks
de kerk de doden
ten prooi aan de woeste stroom

nevengeul
omarmt
broedersloot

watersnood
baart
gemaalzwager

overlaten
stromen
later

waterslagen zijn voorbij
rivier getemd en dijk op deltahoogte
sneeuw valt in de bergen
de stroom mondt uit in zee
maar in de tijd daartussen

Maurits oogt verlaten
de matten sprok van toen
vervlochten tot redoute
de tenen blijven bloeien
er groeit in helder baken

de rivier stroomt naar het westen
de strangen strangen

 

 

 

 












“ik kijk nu al een aantal jaren, dag in dag uit, naar
hetzelfde landschap… en ik besef dat ik steeds meer
zie. Mijn herinnering begint mee te spelen met het
kijken. Ik schilder de zomer met de winter in mijn
achterhoofd. Ik weet hoe de structuur van die boom
er zonder bladeren uitziet. Je kunt geen landschap
schilderen als je er niet eerst lange tijd hebt gebivak-
keerd”.     David Hockney

 









 

 




Het Romeinse leger op manoeuvre: eerste eeuw na
Chr., langs de Noordzeekust, ter hoogte van de hui-
dige grens tussen België en Nederland. Een van de
commandanten was Plinius de Oudere, die zich her-
innerde wat hij gezien had toen hij zijn beroemde Na-
turalis historia schreef.
Er waren uitgestrekte schorren en hij zag nergens
bomen. Hij kon niet vaststellen of hij zich op land of
op zee bevond. De huizen waren gebouwd op heu-
veltjes, en hij vond dat ze eruit zagen als schepen op
het water, of misschien eerder als scheepswrakken.
Hij dacht dat de huizen zo werden gebouwd om ze
tegen de ergste getijdenbewegingen te beschermen.
Deze Romeinse landrot die gewend was om vaste bo-
dem onder zijn voeten te hebben, lijkt bijna nerveus
in dit vreemde moeraslandschap van schuivende klei,
doorsneden door kreken en geulen waardoor de getij-
den het zoute water af- en aanvoerden. Het was alsof
hij het rijk verlaten had, want deze kust was van het
vasteland gescheiden door lagunes en zoute veenge-
bieden, een grens die niet minder adequaat was dan
de bossen die de mensen van elkaar gescheiden hiel-
den, effectiever dan om het even welke rivier. Om de
schorren te bereiken, en de watermensen die er woon-
den, moest je de moerassen kennen. En je moest wel-
kom zijn, want je werd zeker opgemerkt.

“Aan de rand van de wereld” - Michael Pye
( Hoe de Noordzee ons vormde )



















…Ik wilde tot aan mijn proto droomhuis lopen,
mijn crypto droomhuis, die scheve kist
op palen getimmerd van groene overnaadse planken,
een soort artisjok van een huis,  maar groener nog
( geloogd met bicarbonaat soda? )
tegen voorjaarsvloedgolven beschermd door
een omheining van- zijn het bielzen?
( Veel aan dit bouwsel is twijfelachtig)
Ik zou me daar willen terugtrekken en niets doen
of bijna niets, voor altijd, in twee kale kamers
door een verrekijker turen, saaie boeken lezen,
oude, dikke, dikke boeken en nutteloze notities maken
in mezelf praten en , op mistige dagen,
kijken hoe de druppels neer glijden, zwaar van het licht.

Uit:  Eind maart.   Elizabeth Bishop

 
 
 
 

Analfabetisme is (was) een essentiële voor-
waarde om een mondeling epos te bewaren.
Vooral het feit dat de voordrachtskunstenaars
leerden lezen, en niet de veranderende smaak
van het publiek, betekende het einde voor de
orale traditie. Zoals een blinde en sterker zin-
tuig kan ontwikkelen voor horen, ruiken en
voelen om zijn gemis aan gezichtsvermogen
te compenseren, zo lijkt een ongeletterde
dingen te kunnen opslaan in zijn geheugen
op een manier die een geletterde eenvoudig
niet voor elkaar krijgt. Niet het gebrek aan
belangstelling, maar het alfabetisme zelf deed
de orale traditie de das om.

uit: Negen Levens, een zoektocht naar het heilige
in modern India.   William Dalrymple